Anas wyvilliana

Anas wyvilliana

Nederlands: Hawaï-eend

Engels: Hawaiian Duck

Frans: Canard des Hawaï

Duits: Hawaï-Stockente

Spaans: Ánade Hawaiano


Taxonomische status

Soort status: MET UITSTERVEN BEDREIGD

Ondersoorten:  neen 

TSN: 175120 


Verspreidingsgebied en ondersoorten

Het voormalige bereik van de Hawaï-eend inclusief alle van de belangrijkste Hawaïaanse eilanden met uitzondering van het eiland van Lānaʻi. Haar bereik is nu beperkt tot het eiland van Kauaʻi. De Hawaiian eend was uitgeroeid op alle andere eilanden, maar werd vervolgens hersteld op Maui, Hawaï en Oʻahu door vrijlating van in gevangenschap gehouden vogels.


Beschrijving


Biotoop en voedsel


Gedrag


Statuut


Bijzonderheden

Orde: Aseriformes

Familie: Anatidae

Genus: Anas

Status in de natuur: in gevaar

Soort: zwem- gondeleend

WOERD

Eclipskleed: neen

Lengte: 44-49cm

Geslachtsrijp: 1 jaar

EEND

Lengte: 44-49cm

Geslachtsrijp: 1 jaar

Legperiode: maart-april-mei

Broedgewoonte: grondbroeders

Ei

Afm. bxh (mm x mm): 57.5 x 40.5mm

Kleur: lichtgroen

Textuur:

Aantal/nest: 10

Broedduur24-28 dagen

nalegsel: meerdere legsels

Vliegvlug:

Klimaat:

Ringmaat: 9 mm

Cites vogel: neen

Europese vogel: neen


Kweekverslag

Kweekverslag Tom De Graeve

 

Zeldzame diersoorten hebben een bijzondere waarde. Omdat ze de laatsten van hun soort zijn hebben ze iets geheimzinnigs, een vleugje nostalgie naar vervlogen tijden en er zit ook een verhaal achter over de teloorgang van hun soort. Om die reden -en ook omdat ik het een sympathiek eendje vond- ben ik enkele jaren terug laysantalingen gaan houden (in de beginjaren van de werkgroep zeldzame watervogels).

In 2012 wilde ik daarom ook meewerken aan het project rond de Hawaïï-eend, die bij liefhebbers nagenoeg uitgestorven bleek. De Hawaiïeend is trouwens een nauwe verwant van de laysantaling en zeker op jonge leeftijd zag ik niet echt de verschillen. Als je twijfelt geeft de onderkant van de vleugels uitsluitsel: deze is grotendeels wit bij de Hawaiï, en overwegend bruin bij de Layan (zie Aviornis-tijdschrift van februari 2013).

In juli 2012 kon ik mijn paartje Hawaiï-eenden gaan afhalen bij Kevin Theys van de werkgroep zeldzame watervogels.  Terug thuis werden ze bij de rest van mijn eenden gezet (buiten de kweektijd verwijder ik de afsluiting tussen de twee 'eenden'-perken. Ze hebben dan een perk met een totale oppervlakte van ongeveer 1000m² en twee vijvers (50 en 80 m²). Ze delen dat met een koppel Coscorobazwanen en een 50-tal eenden van uiteenlopende grootte, doorgaans van het verdraagzame soort.

De Hawaiï is een rustige eend die je zonder problemen bij alles kunt houden. Ze trokken ook  effectief vrij snel op met mijn twee koppels Laysantalingen. In de paartijd hou je deze twee soorten dus best goed gescheiden om bastaarden te voorkomen. Hawaiï eenden zijn kalmer dan Laysans: deze laatsten durven al eens lastig doen tegen bv. mandarijneenden, maar dat heb ik bij de Hawaiï's nooit gezien.

Dat heb ik dan ook gedaan: in het voorjaar kwamen de Hawaiï-eenden in het stuk met de vijver van 50 m².  Ze hadden daar gezelschap van o.m. brilduikers, tafeleenden, mandarijneenden, Europese smienten, muskuseenden  en manenganzen.  Ze waren bij de vroegste starters wat de kweek betreft - enkel voorafgegaan door de Coscoroba's en de muskuseenden. Op 6 april werd het eerste ei gelegd, twee dagen later gevolgd door een tweede. Daarna kwam er niets meer, het nest werd ook niet meer bezocht.  Deze twee eieren werden in de broedmachine uitgebroed en kwamen beide uit, maar dan liep het mis: het ene jong zijn kop stond (en staat nog altijd) scheef , het andere jong lag na vijf dagen onverwacht dood - de avond daarvoor was het nog springlevend. De overlever werd kunstmatig opgefokt in gezelschap van nog enkele kuikens uit verloren gelegde eieren (een brilduiker, een tafeleend en een laysantaling - wat ze tegenwoordig een multicultureel gezelschap noemen).

Terug naar het kweekkoppel. Na ruim een week stelde ik vast dat de eend opnieuw aan het leggen was in een ander blok. Daar legde ze in totaal 4 eieren. Na het vierde ei begon ze op 23 april te broeden. Er werden twee jongen  geboren op 21 mei (dus na een broedduur van 27 dagen).

Omdat ik het broeden van mijn eenden nogal stipt opvolg was ik de avond daarvoor al gaan piepen en had vastgesteld dat de uitkomst begonnen was. Ik sluit dan de uitgang van het broedblok af, zodat ik de daaropvolgende morgen zonder veel manoeuvers moeder en kuikens uit het blok kan halen en naar de opfokruimte brengen.

Daar kregen ze een plantenschaal met water, wat opfokkruimels van Versele in de eerste dage en daarna opfokkorrels van Deli Nature. De opkweek verliep vlekkeloos. Op 7 dagen werden ze geleewiekt en op 9 dagen kregen ze twee ringen aan: één met mijn stamnummer en een projectring van de werkgroep watervogels.

Een week later werden ze gelost in het perk waar ze aanvankelijk zaten en waar de jongen verder konden uitgroeien en inpluimen. Daarbij namen ze nog enige tijd de hoede waar over een nest laysantalingen waarvan de hen gestorven was.

Nu, na anderhalve maand, zijn de jongen even groot als hun ouders en trekken ze meestal samen op, waarbij ze geregeld gezelschap krijgen van het jong dat in de broedkast werd uitgebroed.


Video's