Netta erythrophthalma

Netta erythrophthalma

Nederlands: Zuiderse duikeend

Engels: Southern pochard

Frans: Plongeur austral

Duits: Rotaugenente

Spaans: Porrón austral


Taxonomische status

Soort status:full species

Ondersoorten:netta e. erythrophthalma en netta e. brunnea


Verspreidingsgebied en ondersoorten

De zuiderse duikeend heeft een verspreidingsgebied op 2 continenten.  

De nominaatvorm (Netta erythrophthalma erythrophthalma) komt voor in Zuid-Amerika en had ook vroeger een niet aaneengesloten verspreidingsgebied van Venezuela en Colombia in het noorden tot noordelijk Chili, noordelijk Argentinië en oostelijk Brazilië in het zuiden. Het huidige verspreidingsgebied beperkt zich waarschijnlijk enkel nog tot Venezuela en oostelijk Brazilië.

Een ondersoort (Netta erythrophtalma brunnea) komt voor in zuidelijk en oostelijk Afrika


Beschrijving

In de vlucht is de lange nek met de ver naar achteren geplaatste vleugels typerend. De witte spiegel over bijna de gehele lengte in de vleugel (grote en kleine slagpennen) is bij beide geslachten eveneens duidelijk waarneembaar. Verder is de donkere kleur van het gehele lichaam zonder witte onderstaartdekveren typisch voor de zuiderse duikeend.

De woerd heeft een zwarte kop, hals en borst met een mahoniekleurige schijn, die het hevigst is op de kop. De rug en vleugeldekveren zijn zeer donkerbruin terwijl de flanken kastanjebruin zijn. Van dichtbij gezien is het geen egale kleur maar een zeer fijne stippeling van bruin en zwart die deze kleurschakering veroorzaakt. De onderzijde is nagenoeg zwart.

De woerd kent geen eclipsrui, dus het gehele jaar op kleur, wat typisch is voor vele eendensoorten uit de tropen en van het zuidelijk hafrond.

De snavel van de woerd is blauwgrijs met zwarte nagel. De iris is felrood en valt zeer goed op in de donkere kop. De poten en voeten zijn donkergrijs.

Het gewicht van een woerd bedraagt gemiddeld 800 gram voor volwassen woerden terwijl jonge woerden een 100 gram lichter wegen.

Bij het veldwerk werden meer dan 1000 eenden gewogen en stelde men vast dat tijdens het regenseizoen het gewicht hoger lag dan in de rest van het jaar.

De eend is veel bruiner van kleur. De kop met witte aftekening en de rug zijn het donkerst bruin terwijl de flanken een warmbruine kleur vertonen. De onderzijde houdt zowat het midden tussen licht bruin en vuil wit. Poten en voeten zijn ook donkergrijs. De iris is roodbruin.

Het gewicht van de eend varieert tussen 650 gram voor jonge vogels en ongeveer 770 gram voor volwassen eenden.

Juveniele zuiderse duikeenden gelijken zeer op de eend maar zijn doffer en wat lichter maar missen de witte koptekening. Een lichtere kleur (niet wit maar eerder vuilwit) rondom de snavel is er wel. Het geslacht van juveniele dieren is vlug zichtbaar aan de oogiris en de donkerder nek en bovendelen van de woerd.

Kuikens van zuiderse duikeenden zijn lichtbruin bovenaan met een warmgeel gezicht, hals, borst en onderdelen. In de bruine kleur bovenaan is er de gele aftekening aan de vleugeltjes en de zijkanten van de rug achteraan.

Bovenstaande beschrijving is deze van de Afrikaanse ondersoort, die iets kleiner is dan de norninaatvorm en waarbij de woerden iets lichter en bruiner van kleur zijn. De verschillen zijn echt miniem. Daarenboven is momenteel alleen de Afrikaanse vorm in avicultuur zodat vergelijking van deze eenden bij elkaar niet mogelijk is en men afgaat op eerdere beschrijvingen.


Biotoop en voedsel

De zuiderse duikeend komt zowel op zoet- als brakwatermeren en Iagunes voor, vooral op grotere en diepere wateren met een dichte oeverbegroeiing. Ze komen voor van zeeniveau tot op hoogtes van 2400 m, In dit biotoop treft men de Afrikaanse ondersoort aan.De Zuid-Amerikaanse zuiderse duikeend treft men aan op ondiepere meren, moerassen en poelen met een overvloedige onderwatergroei van planten en van zeeniveau tot op hoogtes van 3650 m.

Hun voedsel bestaat hoofdzakelijk uit zaden van waterplanten. Slechts een klein gedeelte bestaat uit delen van waterplanten en grassen. Maagonderzoek wees ook uit dat er minimale hoeveelheden weekdieren gegeten worden.

Kuikens en opgroeiende jonge dieren daarentegen eten meer dierlijk dan plantaardig voedsel. Bij kuikens bedraagt het dierlijke deel zelfs meer dan 50 % maar neemt geleidelijk af naarmate de jongen ouder worden om bij enkele procenten te eindigen wanneer ze volgroeid zijn.


Gedrag en voortplanting

Buiten de broedperiode leven de zuiderse duikeenden in groep en leiden een onopvallend leven. Vaak zijn het kleinere groepjes maar op grotere meren treft men evenzeer groepen van enkele honderden vogels aan. Ze foerageren vooral 's morgens en 's avonds en rusten in groep tijdens de dag langs de oever. Deze eend heeft de naam sedentair te zijn en niet te trekken maar de Zuid-Afrikaanse populatie trekt noordwaarts in het droge seizoen. Eenden uit het uiterste zuiden van het verspreidingsgebied worden tot in Kenia gesignaliseerd. Deze trek gebeurt uit noodzaak omwille van het toch nog uitdrogen van diepere wateren.

Het broedseizoen in Afrika beslaat zowat het gehele jaar en is in grote mate afhankelijk van het regenseizoen. Het leggen neemt een aanvang bij het einde van het plaatselijke regenseizoen wanneer de meren en lagunes hun hoogste waterpeil bereikt hebben. De aanvang van de broedperiode verloopt onopgemerkt omdat de woerden nauwelijks baltsen, ook al is de paarbinding slechts tijdelijk. Er wordt genesteld langs de oevers van de meren in de dichte vegetatie. Meestal liggen de nesten vlakbij het water en minder vaak op grotere afstand.

Een legsel bestaat uit 6 tot 9 gelig bruine eieren en wordt in 25/26 dagen uitgebroed. De kuikens groeien in vergelijking met noordelijke soorten eerder traag op en zijn pas volgroeid en vliegvlug op een leeftijd van 7 weken.


Statuut

De Afrikaanse populatie is niet echt groot en wordt tussen 30.000 en 70.000 exemplaren geschat maar ze blijft wel constant in aantallen waardoor ze als niet bedreigd wordt bestempeld. De Zuid-Amerikaanse populatie daarentegen is reeds geruime tijd dalend in aantallen. Voorheen was het verspreidingsgebied wel zeer uitgebreid maar sterk gefragmenteerd. In dit uitgebreide gebied waren en eveneens grote gebieden waar ze niet voorkwamen. Thans vermoedt men nog hun aanwezigheid in Colombia, Ecuador en Peru maar waarnemingen zijn er al geruime tijd niet meer. Waarnemingen en broedgevallen zijn er de laatste jaren nog uitsluitend in Venezuela en in zuidoostelijk Brazilië.

De redenen van deze enorme terugval is onbekend en zeer verontrustwekkend.

In avicultuur is het lang een onbekende gebleven bij de watervogelliefhebbers niettegenstaande de eerste zuiderse duikeenden van Zuid-Amerikaanse oorsprong reeds in 1851 in de zoo van Londen werden ingevoerd. In 1925 werden er in de zoo van Clères ingevoerd. De eerste Afrikaanse zuiderse duikeenden werden in 1937 ingevoerd, eveneens in Engeland en Frankrijk.

Pas in 1951 na meerdere importen van beide ondersoorten slaagde de eerste kweek met de Afrikaanse en in 1961 zijn er meldingen van geslaagde kweek met de Zuid-Amerikaanse zuiderse duikeend, telkens in vogelparken.

Als mijn geheugen mij niet in de steek laat was het de heer De Potter in België, die 10 tot 15 jaar geleden zeer geslaagde nakweek had van zijn zuiderse duikeenden en voor enige verspreiding van de soort onder de liefhebbers zorgde. Helaas is de verspreiding miniem gebleven. Weinig liefhebbers voelen zich blijkbaar aangetrokken tot deze eend.


Bijzonderheden

Orde: Anseriformes

Familie: Anatidae

Genus: Netta

Status in de natuur: voorkomend

Soort: duikeend

WOERD

Eclipskleed:geen

Lengte: 48-51cm

Gewicht: 0,800

Geslachtsrijp: 1 jaar

EEND

Lengte: 48-51cm

Gewicht: 0,770

Geslachtsrijp: 1 jaar

Legperiode: gans het jaar

Broedgewoonte: grondbroeder

Ei

Afm. bxh (mm x mm): 56,9 x 43,7mm

Kleur: gelig bruin

Textuur: /

Aantal/nest: 6 à 9

Broedduur: 25 dagen

nalegsel: meerdere legsels

Vliegvlug: 7 weken

Klimaat: /

Ringmaat: 11mm

Cites vogel: neen

Europese vogel: neen


Kweekverslag


Video's