Gallus gallus gallus

 

Gallus Gallus Gallus.jpg

Nederlands: Rode kamhoen

Engels: Red Junglefowl

Frans: Coq bankiva

Duits: Bankivahuhn

Spaans: Gallo Bankiva

Italiaans: Gallo comune

Het was Linnaeus die in zijn werk "Systema Naturae" in 1758 de kip in het geslacht Phasianus onderbracht als Phasianus gallus. Hij noemde daar een uit het wild afkomstig exemplaar van het rode kamhoen in één adem met een hele reeks kweekvormen van tamme kippen. Nauwelijks twee jaar later stelde de Fransman Brisson (Ornitologie, Paris, 1760) voor de naam Gallus als genusnaam te gebruiken. Ondertussen zijn er in dit genus vier soorten ondergebracht:

  • Gallus gallus (Linné, 1758) of het rode kamhoen;
  • Gallus varius (Shaw, 1798) of het groene Javahoen;
  • Gallus sonneratii (Temminck, 1813) of het Sonnerathoen;
  • Gallus lafayetii (Lesson, 1831) of het Lafayettehoen.

 


Taxonomische status:

 Soort status: full subspecies

Ondersoorten:

  1. Gallus gallus gallus
  2. Gallus gallus Bankiva
  3. Gallus gallus jabouillei
  4. Gallus gallus murghi
  5. Gallus gallus spadiceus

TSN: 176086


Verspreidingsgebied

bank.PNG

Het wordt aangetroffen van uiterst Noordoost-Pakistan en uiterst Noordoost-India in de provincie Kashmir, via Noordwest-India, Nepal, Bangladesh en Myanmar, Oostwaarts tot in het uiterste Zuiden van de provicies Yunnan en Guangxi in Zuidwest-China en het eiland Hainan. Zuidwaarts in Vietnam, Laos, Thailand, Cambodja tot in Maleisië en de Indonesische eilanden: Sumatra, Java en Bali. In India en Nepal komt de soort noordelijk tot in het lage gedeelte van de Himalaya en zuidelijk tot aan de Godavari rivier voor. Het betreft duidelijk een groot verspreidingsgebied en het is dan ook logisch dat er bij deze soort nogal wat geografische variatie optreedt. Dit verschijnsel heeft ertoe geleid dat er in de loop van de jaren meerdere ondersoorten beschreven zijn. In de meest recente ornithologische publicaties worden er vijf ondersoorten onderscheiden:

  • Gallus gallus gallus (Linné, 1758) in het zuidoosten van het verspreidingsgebied; in Oost-Thailand, Centraal- en Zuid-Laos, Cambodja en Centraal- en Zuid-Vietnam;
  • Gallus gallus spadiceus (Bonaterre, 1791) Zuidwest Yunnan in China, in Birma, Thailand (met uitzondering van het uiterste Noorden), Maleisië en Noord-Sumatra;
  • Gallus gallus bankiva (Temminck, 1813) op Zuid-Sumatra, Java en Bali;
  • Gallus gallus murghi (Robinson & Kloss, 1920)) in Noord-Pakistan, Noord- en Noordoost India, Nepal en Bangladesh;
  • Gallus gallus jaboullei (Delacour & Kinnear, 1928) in Noord-Vietnam en aangrenzend in China in Zuidoost-Yunnan en Guangxi en op het eiland Hainan.

 

N.B.: Peters voegt de twee ondersoorten G. g. gallus en G. g. spadiceus samen tot G. g. gallus. Volgens Nishida komt in het uiterste Zuiden van Thailand en in Maleisië G. g. gallus voor i.p.v. G. g. spadiceus. Hij maakt hierbij onderscheid tussen G. g, gallus Type C dat voor komt op het continent en G. g. gallus Type I dat voorkomt in het uiterste Zuiden van Thailand, op het Maleisische schiereiland, Sumatra, Suwalesi en op de Filipijnen.

In hoeverre deze "ondersoorten" werkelijk die status verdienen staat op dit ogenblik opnieuw ter discussie en vormt een verhaal op zich. Waarschijnlijk zal uiteindelijk alleen een uitgebreid DNA-onderzoek hier uitsluitsel kunnen bieden.

 


Beschrijving

De haan toont een scharlakenrode getande kam en keellellen en een rode onbevederde gezicht. De kleur van de oorlellen varieert, na gelang het verspreidingsgebied, van rood, via rood met een witte waas tot aan melkwit. Na gelang het verspreidingsgebied is het halsbehang en zadelveren oranjegeel tot rood van kleur en vertoont al dan niet een zwarte schachtstreep.

Bovenrug, grotere vleugeldekveren en kleinere slagpennen zijn glanzend blauwgroen, het bovendeel van het vleugeldek en een band op het midden van de rug diep donkerrood; bovenrug mahonierood, naar de stuit toe overgaand in een vurig oranjerood, waarbij de veren lang en lancetvormig zijn. De buitenste kleine slagpennen zijn roodachtig, de grote slagpennen zwartbruin. Staart en staartdek zijn metaalkleurig donkergroen. Opvallend is de witte veertoef bij de staartaanzet. Het onderlichaam is zwart. De ogen zijn rood tot oranje, de snavel is bruin, de punt en de bovensnavel zijn echter licht hoorngeel. De poten zijn blauwgrijs. De totale lengte is 65-75 cm, de vleugels 23-27,5 cm.

De hen bezit een gedeeltelijk onbevederd gezicht en keel, die helder rood zijn en gelang het verspreidingsgebied rood tot blauwwitachtige oorlellen; een kam is nauwelijks zichtbaar, evenmin de keellelletjes. Bovenkop en nek zijn roodachtigbruin, de halsveren zijn lang, donkerbruin met brede gele zomen. Het bovenlichaam is bruin met fijne zwarte golfjes en witte schachtstrepen. De borst is roodachtig bruin naar de buik overgaand in taan of voskleurig. De buikzijde, flanken en dijen zijn als de rug gekleurd. De ogen zijn bruin tot oranje, de snavel is hoornbruin. De poten zijn blauwgrijs. De totale lengte is 42-46cm, de vleugels 18,5-20 cm, de staart 14-15,5 cm.

De kuikentjes hebben een karakteristiek strepenpatroon. Ze hebben een brede bruine band vanaf de kruin tot op de romp. Vanaf de ogen tot aan de zijkanten van de nek loopt een smalle zwarte streep. Over de zijkanten van de rug lopen 2 kastanje bruine banden ingesloten door 2 zwarte banden. Het voorhoofd, de zijkanten van de kruin, het gezicht en 2 banden op de rug zijn isabelkleurig. De keel en de oorstreken zijn wit isabelkleurig even als de onderkant. Door de borst loopt een bruine band. De vleugels zijn roodbruin rossig.

Juveniele vogels lijken op de volwassen hen, echter de hanen hebben rood op de rug en grote geel- tot roodkleurige halsveren. Vaak zijn ook de kam en lellen al enigszins zichtbaar.


Biotoop en voedsel

Wilde kamhoenders leven in de warme streken van Zuidoost-Azië, zowel in het laagland alsmede in de middengebergte. De dieren leven in verschillende biotopen, vanaf zeeniveau tot op een hoogte van 1.800 m. Ze komen voor in de vochtige oorspronkelijke oerbossen, in bamboebossen, in de jonge bossen in de buurt van de civilisatie, alsmede in het droge dorre struikgewas. Het meest belangrijke is dat de dieren voldoende dekking kunnen vinden.

Rode kamhoenders hebben van de vier soorten het grootste verspreidingsgebied. Ze komen zowel voor in de tropische jungle, bamboebossen, alsmede in de uitlopers van de Himalaya. Eveneens komen ze voor rondom de rijstvelden en de civilisatie.

Opmerkelijk is dat de rode kamhoenders ook zijn te vinden in de Sundarbans. De Sundarbans ofwel mangrovewouden in West-Bengal is de estuaria fase van de Ganges alsmede de Brahmaputra rivier. De rode kamhoenders leven in dit deltagebied enkel daar waar voldoende instroom van zoet water is vanuit het binnenland, met name aan de landzijde. Ook is er natuurlijk het regenwater dat in (soms tijdelijke) plassen bewaard blijft. Daarnaast zijn er door natuurbeheerders een aantal drinkpoelen gegraven.

Het groene Javahoen is echt een dier van de kust. Het leeft in de laaggelegen valleien, maar nooit ver van de kust vandaan. Het geeft de voorkeur aan droge terreinen met veel struikgewas en aan bamboebossen, rondom de rijstvelden en de civilisatie.

Sonnerathoenders en Lafayettehoenders komen zowel voor in de tropische jungle en bamboebossen, alsmede rondom de rijstvelden en de civilisatie.

Voeding in het wild: Wilde kamhoenders kennen een gevarieerd voedselpatroon. Zo eten ze diverse soorten graszaden, bamboezaden, maar ondermeer ook zaden van Trichosanthes, Rubus, Carissa, Shorea, bessen, vruchten (o.a. Euphorbiaceae, Vitex pubescens en Streblus cispen), kleine blaadjes en knoppen. In de buurt van de civilisatie doen ze zich ook veelvuldig tegoed aan rijstzaden (Oryza), mais, bonen en tapiocaknollen (Maniok). Ook eten ze diverse soorten insecten zoals kevers, sprinkhanen, mieren, termieten (evenals termieteneieren), larven en rupsen, maar ook andere geleedpotigen als spinnen. Eveneens staan wormen, en kleine hagedissen op het menu.

Voeding in gevangenschap: De in de handel zijnde commerciële voeders (pellets) voor fazanten en / of kippen voldoen goed. Echter, het is aan te bevelen om wilde kamhoenders te voeren met speciaal voor fazanten ontwikkeld voer. Dit voer is immers afgestemd op de specifieke behoefte van fazantachtigen. De behoefte van wilde hoenderachtigen aan eiwitten, vitaminen en mineralen blijkt namelijk hoger te liggen dan bij legkippen. Het is dan ook aan te bevelen om de wilde kamhoenders te voeren met speciaal voor fazanten ontwikkeld voer.

Naast pellets kan men de dieren een graanmengsel en groenvoer, zoals groente en fruit, bijvoeren. De dierlijke eiwitten zouden kunnen worden aangevuld met meelwormen. Het bijvoeren van de dieren is nuttig omdat de dieren hierdoor een groter scala aan voedingselementen krijgen aangeboden. Echter, uiteraard geldt bijvoeren met mate! Te veel aan bijvoer zal leiden tot een onevenwichtige voeding, met alle gevolgen van dien.

Naast pellets en bijvoer is ook grit en maagkiezel van belang. Grit is een belangrijke leverancier van de benodigde mineralen, met name kalk. Maagkiezel hebben de dieren nodig voor het vermalen van het voer. Kamhoenders hebben immers geen tanden. Het vermalen van het voer vindt in de spiermaag plaats.

De kuikens van de wilde kamhoenders dienen te worden gevoerd met opfokmeel, althans de eerste weken (duur afhankelijk van de voedingsfabrikant). Daarna kan men overgaan op opfokpellets. Ook hier geldt dat men het best kan kiezen voor voer dat speciaal voor fazantachtige is ontwikkeld. Het is aan te bevelen om de kuikens bij te voeren met meelwormen. Dit is gunstig omdat de kuikens tijdens de groeifase extra eiwitten nodig hebben voor de opbouw van hun lichaam.

 


Gedrag

De dieren zijn altijd schuw en voortdurend op hun hoede. Zelfs in de buurt van menselijke nederzettingen, zoals bij de heilige tempels. Alhoewel de dieren zich meestal verbergen, geven ze er de voorkeur aan om aan de buitenranden van de bosschages te foerageren. Met name in de vroege morgen en in de avond zijn de dieren te vinden op ontgonnen terrein en op open plekken in het bos.

De dieren leven het grootste deel van het jaar in kleine groepjes en / of in familieverband. Gedurende het broedseizoen zonderen de sterke hanen zich met één of meerdere hennen af. De jonge hanen leven dan afzonderlijk in groepjes van 2 of 3 hanen.

Om hun territorium aan te duiden, kennen de hanen van alle 4 de soorten een karakteristieke kraai. De kraai van het rode kamhoen lijkt op die van het gedomesticeerde hoen, maar is kort en wordt abrupt afgebroken: kukeleku. De kraai van het groene Javahoen is schor en klinkt als chaw-aw-awk. De kraai van het Sonnerathoen bestaat, net zoals bij het rode kamhoen, uit een enkele kraai met 4 samengestelde noten. De duur is ongeveer gelijk als bij het rode kamhoen en klinkt als ah ahah ah ah. De kraai van het Lafayettehoen klinkt als george joyce.

 


Statuut

Er zijn geen reële verwachtingen dat nog rode kamhoenders zullen ingevoerd worden ten behoeve van onze bestanden.

De verschillende ondersoorten zijn waarschijnlijk enkel nog te vinden als geïsoleerde populaties in de grote reservaten, die in de kern van een verspreidingsgebied zijn gesitueerd. In de focusgroep willen we ons tot nu toe niet concentreren op het onderscheid tussen die verschillende continentale ondersoorten.

 


Ziekten

Ziekten die voortkomen uit huisvestingsproblemen, voedingsproblemen en infecties zijn talrijk. Het is van groot belang om de samenhang van huisvesting, verzorging, voeding, hygiëne en ziektepreventie te kennen. Al deze genoemde aspecten dragen bij aan een goede gezondheid en aan het welzijn van de kamhoenders. Overigens verschillen wilde kamhoenders als het gaat om ziekten, niet of nauwelijks van huishoenders.

Een goede gezondheid begint dus met een goede huisvesting, een goede verzorging, de juiste voeding en met hygiëne. Daarnaast kunnen een aantal ziekten worden voorkomen door het hanteren van een goed ziektepreventieschema. Door de EJFG wordt het volgende schema gehanteerd:

ZiekteProductFrequentie

Marek HVT-vaccin Eénmalig (eerste levensdag)

Cocidiose Opfokvoer met anti-coccidiosemiddel Eén keer mestonderzoek (twee tot vier weken na overschakeling op voer zonder anti-coccidiosemiddel)

Chicken anemie virus CAV-vaccin Eénmalig (tijdens de jeugd)

Wormen Flubenol (uitsluitend ontwormen bij vaststelling van besmetting) Eén keer mestonderzoek bij jonge dieren tijdens de opfok en tweemaal per jaar mestonderzoek bij alle dieren

Pseudo vogelpest Voorenten met Clone 30 en vier weken later de dieren inenten met La Sota Eén keer per jaar (jonge en

 


Kweken

Wilde kamhoenders broeden, als ze daartoe de mogelijkheid krijgen, gemakkelijk zelf. In gevangenschap worden toch ook zeer dikwijls wilde kamhoenders in de broedmachine geboren. Hierbij geldt dat men de voor fazantachtige gebruikelijke broedparameters dient te hanteren.

De opfok van de jonge kuikens gaat vrij gemakkelijk, tenminste als men niet met ziekten te maken krijgt. Vooral de eerste maanden kunnen courante ziekten of parasieten zoals ondermeer coccidiose voor een grote uitval zorgen. Goede voeding, goede hygiëne en ziektepreventie zijn dan ook van groot belang

Wilde kamhoenders worden geboren met duidelijk zichtbare vleugelpennen. Bij natuurbroed gebeurt het dan ook vaak dat de hen reeds na enkele dagen met de kuikens op stok gaat. De kuikens hebben dan al een redelijk vliegvermogen.

 


 Bijzonderheden

Orde: Galliformes

Familie: Phasianidae

Genus: Gallus

Het nest van wilde kamhoenders bestaat uit een éénvoudig gegraven kuiltje in de grond en ligt goed beschut in het struikgewas. Met name bamboe en diverse soorten gras vormen een geschikte nestgelegenheid. De eieren worden enkel door de hen uitgebroed.

Het broedseizoen bij rode kamhoenders varieert na gelang het leefgebied. In Pakistan, India, Nepal, Bangladesh, Birma en in het Noorden van Laos en Vietnam en in het uiterste Zuiden van China heerst een warm gematigd klimaat. Het broedseizoen van de daar levende rode kamhoenders is in het late droge seizoen met een piek in de maanden april en mei. In het grootste gedeelte van Thailand, Laos en Vietnam Maleisië en Indonesië, is sprake van een tropisch klimaat. De rode kamhoenders hier broeden meer in het vroege droge seizoen met een piek in de maanden december tot januari. De eieren van het rode kamhoen zijn crèmewit en egaal van kleur. Het legsel bestaat uit 5 à 6 eieren en de broedduur bedraagt 19 dagen. De afmeting van een rode kamhoen ei is ongeveer 45,2 x 34,5 millimeter. De eieren wegen gemiddelde tussen de 30 en 35 gram.

 

 


Kweekverslag


Foto's


Video's